
Eerlijk is eerlijk. Hoe fanatiek zowel ik als mijn moeder in zoveel mogelijk filialen van plaatselijke supermarkten, boekhandels, kiosken en sigarenwinkels een quasi geïnteresseerde blader doen in de laatste Hondenleven om deze met een ferme armzwaai pal voor de laatste Wraf! weer in het rek terug te zetten, beroemd werd ik nog nooit. Alle gedroomde rentrees van Natte Neuzen, waarbij ik als jong ontsproten talent Martin Gaus blijmoedig zou mogen assisteren bij een gezellig spelonderdeel bleven vooralsnog uit. En hoe hard ik ook probeer mijn gezicht tijdens de dagelijkse boswandeling in dezelfde onnozele plooi te houden als op de foto bij mijn column in de hoop dat er nu eindelijk eens iemand met eenblocnootje aan komt snellen om mij –oh beroemdheid- een handtekening te ontfutselen, nimmer was er iemand die mij herkende. Zelfs niet als ik met datzelfde onnozele gezicht heel hard ‘Sóóóphie! Teééédje!’ in de bosjes blèrde ( in de hoop dat iemand zo de link legt tussen mij, de honden en de stukjes zo zult u begrijpen), ook al wist ik dat mijn dames zich al lang en breed elders bevonden.
Maar daar zou verandering in komen. Zomaar ineens, midden op een druilerige donderdag, stond hij daar. Pal voor mijn dierenwinkel. Xander de Buiso...de Buisgo, de Bizonjee. Te wachten. Op mij. Goed, de blondine aan zijn arm, daar zouden we iets op moeten verzinnen maar Meneer Geer zou het heus snappen. Mijn introductie tot het bekendehondenmoederschap stond voor de deur van de dierenwinkel op mij te wachten, dat was zo klaar als een klontje.
Ik had niets nodig van de dierenwinkel, maar het leek het mij omwille van het niet al te opvallerige het beste om dan tenminste te veinzen iets nodig te hebben daarbinnen. Zijn blauwe blik zou dan op mijn olijke Basset en mijn aandoenlijke Teckeltje vallen, hij zou zijn blondine vergeten, door de knieën zakken, de hondjes vertederd aaien en toezingen. Daarna zou hij zijn blik ontroerd omhoog wenden. Om op te merken dat ik hele mooie ogen had. En te vertellen dat hij een nieuwe clip aan het maken was...en of wij niet toevallig...
De auto werd aan de kant gegooid. De laatste resten broodkruimel met pindakaas werden in de autospiegel vakkundig van de kin geveegd, de hondenjas werd afgeklopt tot hij niet meer op een mohair stofjas leek en daar gingen we: onze welverdiende roem tegemoet. Eindelijk.
Hij keek inderdaad meewarig naar beneden. Maar dat was meer omdat Sophie met een diepe zucht een dikke drol deed pal voor zijn dure schoenen. Terwijl ik op mijn knieën mijn kartonnen kakzak lag te ontvouwen bedacht ik me dat ik beter eens de Tros kan bellen. Misschien willen ze Natte Neuzen nog eens herhalen.
Deze column verscheen eerder in het tijdschrift Hondenleven.



Reageer op dit log
Wil je een link maken begin dan met http://